|
|
|
De Petrus en
Paulus prebende te Bolsward
- Het Hettema-Heremaleen - In een genealogische publicatie is het haast nooit compleet. Zoiets geldt ook voor deze bijdrage. Omreden van gezondheid kan ik verder geen onderzoek meer doen; misschien zijn er anderen, die zoiets nogmaals op zich willen nemen. Bij het speuren naar Harlingse (meest doopsgezinde) kwartieren van mijn kind liep ik tegen een Hillebrants aan en tegen een vermelding uit het einde van de 17e eeuw van een leen te Bolsward. Aangezien leengerechtigden meestentijds verwant zijn, ben ik op dat spoor verder gegaan. Uit het werk van Abma over de vier Bolswardse lenen1 is op te maken dat het naar alle waarschijnlijkheid om het Hettema-Heremaleen moet gaan. Omdat daarvan de stichtingsoorkonde niet bewaard is gebleven en aan de traditie daaromtrent nogal wat knoeiwerk vast zit, is zoiets niet een prettig vooruitzicht. Van niet eerder als 16222 gedateerd een akte alsmede enige namen van leengerech-tigden. Gezien de vorm en het noemen van afkomstnamen, die de leengerechtigden in 1622 zelf nog niet gebruikten, kan het hier om een falsificatie gaan. Ook geeft een latere generatie een heel andere uitleg aan de inhoud van dit stuk. Tabbe Inthies Hettema en Rinck Lieuwes Herema, op wiens afstamming de twee verschillende takken leengerechtigden zich in 1622 beroepen, zijn in het vervolg man en vrouw en stichters van het leen. Evenwel wordt hun ‘nageslacht’ weer opgesplitst in die van Tabbe en die van Rinck. De verschillende nakomelingen zullen om beurten hun rechten op het leen kunnen laten gelden. Het is duidelijk dat het door hun gemaakte onderscheid met deze constructie grote kolder is. Een kind van de vader is immers ook die van de moeder. Het is mogelijk juridisch ‘ruim te interpreteren’ dat met deze constructie het voor- en nageslacht van Tabbe en Rinck bedoeld worden. Maar ook met dat argument kunnen we niet uit de voeten. In 18993 is al vastgesteld dat Rinck nooit met Tabbe getrouwd is geweest. Het is deze akte waar De Haan Hettema zich in het Adelboek op gebaseerd heeft. Volgens hem wie de prebende stichtte in 1539. Dit jaartal moet op zichzelf al verkeerd zijn want zo lang na Luther zijn Reformatie waarden in Friesland zijn er geen prebenden meer gesticht, zo verzekerde mij drs. J.A. Mol. De heer Roemeling te Hardegarijp was zo vriendelijk en attendeerde mij op een prebendaris in de jaren 1518/19. Ook zijn genealogie Hettema4 is knoeiwerk. Jaartallen ontbreken daarin. Zetten we zijn constructie uit in een schema, dan lopen wij tegen chronologische onmogelijkheden aan. Zo kan bijvoorbeeld Anna Claes Tymens, vrouw van Jacob Adams Canter, nooit Jel Tabbes en die haar man Saekle Sjoerds in de kwartierstaat hebben. Voor een betrouwbare stamreeks van de Canters verwijs ik naar het werk van R.S. Roarda5. Als stichter noemt De Haan Hettema een obscure dorpspastoor Johan Inthies. Daarmee zit hij, naar mijn idee, op het goede spoor, maar ziet hij wel een Dr. Johan Inthies over het hoofd. Het is spijtig dat De Haan Hettema heeft nagelaten bronnen te vermelden en zich beperkt heeft tot hetgeen wat hij kon verantwoorden. Met de vondst van een steen in de Martinuskerk te Bolsward met een opschrift ter herinnering aan Dr. Johannes Inthies Sextinus heb ik geluk gehad. Het blijkt dat hij een broer is van Tabbe Inthies. Ook kon de afstamming van leengerechtigden uit de familietak van Rinck Lieuwes vastgesteld worden en is een verklaring voor de naam Herema te geven. Ook de naam Hettema heeft oude papieren. De geslachtsnaam wordt al in de 16e eeuw gebruikt. De heer Engels, conservator van de Provinciale Bibliotheek van Friesland, en de heer Van Eck wil ik bedanken voor de steun bij de transcriptie van het Latijnse testament van Sextinus. Zo ook de heer Mol, historicus op het gebied van de Middeleeuwen bij de Friese Academie, zonder wiens vertaling en bijbelverklaring van het stuk ik slecht mee uit de voeten kon. De heer Van der Meer is bezig geweest met de afstamming van Rinck Lieuwes. De redactie heeft aan de hand van mijn dossiers en een ingesproken bandje dit artikel vorm gegeven. Tot besluit dank aan de speurders, genoemd en niet genoemd, die mij in de loop van de jaren gegevens toegestuurd hebben. Utrecht, februari 1990 Ir. G.L. Meesters Rinck Lieuwes (Herema) en De Blocq van Scheltinga Het speuren is uiteindelijk gestopt bij drie zusters: Geartsje, Djoeke en Ybeltsje Pieters. Zij waren doopsgezind en in dit milieu gaf men niet om het gebruik van geslachtsnamen; de oudste stukken in het archief van de Harlingse doopsgezinden zijn hier getuigenis van. Het gebruik van patroniemen door naamgenoten kan verwarring geven. Ook met de toevoeging van het beroep aan het patroniem kwam men niet veel verder dan bijvoorbeeld de ‘stijl’ werd veranderd.. Het Harlingse stadsbestuur gebruikte daarom al redelijk snel geslachtsnamen in haar administratie (in geldzaken kan men geen onduidelijkheden gebruiken). Doopsgezinden uit de Zuidelijke Nederlanden hebben van huis uit geslachtsnamen meegekregen. Aangezien zij in Harlingen onderdoken, waren die daar niet ingebruik. In elk geval zijn het de drie zusters ‘Hoogstra’. Dat zij welgesteld waren, blijkt uit een lijst van de hoogst aangeslagen inwoners van 16976. Dieuwke Pytters Hooghstra te Harlingen kon met een vermogen van 80.000 gulden wel een paar centen missen. Ook vinden we zo’n bedrag op naam van Reiner Claesz Fontein, de man van Ybeltje Pieters. Aangezien Geertje Pyters en haar man Pieter Pieters Oldaens niet meer leven, komen zij niet op deze lijst voor, maar hun Wydenbrugs nageslacht behoorden in 1749 tot de rijkste van Harlingen. Het is niet zo makkelijk hun vader en grootvader te vinden.
Pieter Walings, die te Harlingen in het zout zat, overleed veertien jaar na zijn
huwelijk met Aukje Reiners. De drie genoemde zusters waren nog niet op die
leeftijd als hun vader overlijdt. Om die reden is Waling Tyerdts nalatenschap beschreven.
De inventaris geeft een lijst van 22 stukken, waarbij de oudste van uit 1589
dateerde. Aan de hand van dit ‘familie-archief’is het mogelijk de naaste
bloedverwanten van Waling te achterhalen. Vragen om vooral aan te denken: Het is nodig zowel de afstamming
van Waling als die van zijn vrouw Geertie Pittersdochter uit te zoeken. De zaak wordt duidelijk met de
vondst van een rekening uit 16059 in het archief van Harlingen. Wybe Jacobs, burgermeester van
Franeker, en de Bolswardse burger Lambert Pyters, doen als testamentaire voogden
verantwoording van hun beheer van het vermogen van Hilbrant en Geertie, kind van
Pyter Oeges bij Arian Hilbrants, aan de oom Dirck, gedeputeerde in de Friese
Staten. Aan het einde van de rekening wordt aangegeven waarom men niet, zo als
het hoorde, naar Bolsward ging om verantwoording af te leggen: ‘En is deze
rekening niettegenstaande het sterfhuis binnen Bolsward is gevallen door
expresse wil en verzoek van de toehoorders en de ontvangers vandien alhier
geschied’. Dirck wat een belangrijke man; zij moesten maar naar hem toekomen
en niet andersom. Met zo’n man kunnen we blij wezen, want de rekening, die
hier aan vooraf moest gaan, is niet in het Harlingse archief te vinden, terwijl
het oudste weesboek van Bolsward van 1603 dateert. Aan de hand van deze akte is
een verbinding te leggen met de publicatie over de Scheltinga’s van Van der
Meer. Arian Hilbrants, schoonmoeder van Waling Tjaerds, en een dochter van
Hilbrant Juckes op Terschelling en Aelcke Dircks. Aelcke en Lieuwe (stamvader
van de Blocq van Scheltinga’s) zijn kinderen van Rinck Lieuwes en Dirck Symons. De
collatiebrief uit 1622 Zulke vondsten zijn geschikt,
maar geven geen uitsluitsel over het verband met het Hettema-Heremaleen. Dat
kwam aan het licht in een verzameling aantekeningen op het nakomelingenschap
Hillebrants. Zo viel mijn oog op de vermelding
in de beschrijving van de nalatenschap van de Harlingse burgermeester Menelaus
Hillebrants uit 1689: ‘een notule rakende het leen tot Bolsward met enige
andere stukken daartoe specterende’. Abma noemt in zijn werk verscheidene
Hillebrantsen. In één van de door hem genoemde bronnen zit een 19de
eeuws afschrift van een akte van 8 oktober 1622. De inhoud laat ik hieronder
integraal volgen. Collatie
brief voor den 8 October 1622, voor den notaris publicus Suffride, verleden,
luidende als volgt: ‘Veritas
! - JOHANNES BERNARDI SIERXMA, binnen Leeuwarden voor mij zelven uit naam mijner
mede- erfgenamen van wijlen TABE INTHES HETTEMA; HIL- BRANDT
DURCKSZ: dr. JOHANNES SCHELTINGA en dr. JOHANNES HOPTIL- LAS
voor ons zelven en mede lasthebbende van alle onze mede-erfgenamen van wijlen
RINCK LIEUWES dogter HEEREMA elk voor de zijne caveerende de rato en in deze
qualiteit ‘t samentlijk als Collateurs van HEEREMA LEEN binnen Bolsward,
zijnde jus patronatus, alzoo ‘t selve beneficie door goedwillige resignatie
bij Hilbrandt Durksz voornoemd, wegens zijn zoon JACOBUS HILBRANDTSZ., vorige
beneficiant, alsnu vaceert; zoo is’t dat wij na behoorlijke communicatie
t’samentlijk bij malkander vergadert zijnde binnen Bolsward ten huize van
Arjen Jarichs in de Smack, op nuun daartoe genomineert en ‘t voorschreven leen
geconfereert hebben, nomineeren daertoe en confereeren uit krachte dezes
hetselve aan TIJMEN SAECKLES, zoon van SAEKLE TIJMENS, spruitende uit de linie
van Tabe Inthes Hettema, oud wordende omtrent lichtmis 11 jaren, alzoo, dat hij
het voorseide leen tot behulp zijner studien voortaan zal mogen genieten, ook
alle profijten en emolumenten, die van ‘t zelve behooren of nog later zullen
worden bevonden er aan te behooren, hebben en ontvangen zal; en dat wel
gedurende zijne minderheid van jaren, mits hij in studie continueere volgens de
ordonnantie. Desis bescheiden, dat na afgancks ofte resignatie van voorschreven
Tijmen Saeckles het leen alsdan wederom geconfereerd zal worden aan een bekwaam
persoon uit de linie van Rienck Lieuwes dochter Heerema, en daarna wederom
vervallen en geconfereerd zal worden aan de linie van Tabe Inthes Hettema en zoo
consequentlijk, per vices. Aldus
gedaan en en gecelebreerd bij ons collateurs voorschreven opheden dezes 8
October 1622. Tot
oirkonde van dien hebben wij dezen met onze hande ‘t samentlijk bevestigd en
ondertekend ! -
volgen de handteekeningen, enz. Dat Hilbrand Dircks en Dr.
Johannes Scheltinga in Rinck Lieuwes een gemeenschappelijke voormoeder hebben,
is geen nieuws. Wel dat haar geslachtsnaam ‘Hettema’ zal wezen en (naast De
Haan Hettema in het Adelboek) zij de vrouw van Tabbe Inthies Hettema is. Zo was
Rinck niet aangegeven in het al genoemde artikel over de Scheltinga’s, maar ik
twijfelde er niet aan dat deze Rinck Herema en Rienck Lieuwes uit de
archiefstukken één en dezelfde zijn.Welke plaats nam Dr. Johannes Hoptilla in
dit geheel in? Hoorde hij ook bij het nageslacht van Rinck Lieuwes? Rinck
Lieuwes en Dr. Johannes Hoptilla Het was niet lang zoeken.
Johannes was al redelijk gauw gevonden in het Adelsboek en in het archief van
Leeuwarden. Hij trouwde in 1615 Rinckien Thewisdr. Het blijkt dat Rinck Lieuwes
niet tot zijn voorouders behoorde. Moest er dan gezocht worden onder die van
zijn vrouw? Rinckien afkomstig uit een geslacht, die in latere generaties van de
naam Phaesma gebruik maakten. Zo’n detail kon De Haan Hettema minder schelen.
Hij gaf ook haar ouders Mathijs Pieters en Antje Tjaerds de naam Phaesma. De heer Kutsch Lojenga was zo
vriendelijk en wees mij op Antjes vader Tjaert Adriaens, volgens hem een
Leeuwarder. Ook hier krijg ik weer zo’n ‘déjà vu’ gevoel. Het artikel over de
Scheltinga’s noemt Tyardt Adriaens zoon van Rinck Lieuwes. Aangezien de Leeuwarder niet
beslist dezelfde hoeft te wezen als de Harlinger, staat later deze Tjaerdt bij
het speuren centraal. In verscheidene bronnen is wat over hem te vinden. Uit een
procedure voor het Hof, dat zich in 160510 afspeelde, maak ik op dat
de kinderen van Theus Pieters universele erfgenamen zijn van hun grootvader van
moederskant Tyaerd Aeriaens. In het proces voor het gerecht van Harlingen uit
157911 wordt Tziaerdt Arianz een zoon genoemd van Rinck Lyeuwedr,
weduwe van Aerien Michiels. Evenwel duurde het mij wat lang om het bewijs te
vinden. De heer Van der Meer was zo vriendelijk mij wat vindplaatsen over Tiaert
Adriaens toe te sturen. Daaruit bleek dat Tiaert helemaal geen Leeuwarder was. Voor een dekretale verkoping in
158812 wordt toestemming gevraagd door ‘Matheus Pietersz nu wonende
in Harlingen in de naam en als voorstander van Anna Tyaerdtsdochter zijn
huisvrouw’ omreden ‘dat wijlen Tyaerdt Adriaens in leven burger van
Harlingen de schoonvader van de suppliante in God verstervende de voorsz. Anna
zijn dochter aanmerkelijke schulden heeft nagelaten. Tyaerdt had de wind niet
mee gehad, er waren schulden. Op zijn sterfbed vroeg hij
Cornelis Coninx en notaris Haye Laasz de voogdij over Anna op hun te nemen. Deze
Harlingers liquideerden de nalatenschap en
dienden daarover verantwoording af te leggen aan Mr. Frans van Eijsinga,
raadsheer van het Hof. Dit zal de reden geweest zijn waarom de beschrijving van
Tyaerdts nalatenschap niet in het Harlingse weesboek is opgenomen. De rekening
werd in de kanselarij te Leeuwarden overhandigd. Het verband tussen Dr. Hoptilla
en Rinck Lieuwes is hiermee duidelijk. Hoptilla’s vrouw hoorde tot Rincks
nageslacht. De
afstamming van Rinck Lieuwes In een heel recente
bronpublicatie13 over het grondbezit te Harlingen en omgeving wordt
Rincks man Adriaan Michiels genoemd
als eigenaar van ‘verdolven land’ dat eerder (in 1511) ‘Lyuwe Tzierdtzoon
toebehoord heeft’. In 153814 had Adriaan een geschil met ‘Lieuwe
Tiaerts aard’. Uit een paar over posten van het register is op te maken wie
die weeskinderen waren. Zij werden bijvoorbeeld als eigenaar genoemd ‘Aeriaen
Michiels zoon van zijn huisvrouw en zijn huisvrouw haar broer en Folckert Simons
zoon van zijn zoon bij zijn eerste huisvrouw zalige Aelcke Lieuwe dochter
getuigen elk voor een derde deel’ en dezelfde ‘van haar huisvrouwen en
Tyaert Lieuwe zoon te samen toekomende’. Op grond van deze posten is aan te
nemen dat Renck, Aelcke en Tyaert kinderen waren van Lyuwe Tzierdtzoon. In 151215 verkopen
Liue Tiaerdz en Gesel (in dit stuk ook ‘Jeslick’ genoemd) hun ‘tuinen of
achterland’ te Bolsward naast ‘die
landtong naast Haegstreta’ aan Nanne
Reinz. De tuinen waren ‘wt kommen’ (= afkomstig) van Tiaerdt Wybez en Hera Feddrickz.
Het is jammer dat net niet aangegeven
wordt hoe Lieuwe en Jeslick aan dit bezit zijn gekomen. Ze konden het gekocht
hebben, maar ook geërfd.We kunnen uit een en ander niet concluderen, dat Lieuwe
en Jeslick ook te Bolsward woonden. Wanneer men onroerend goed van de hand moet
doen, dacht men het ongeschikste het eerste weg. Het blijkt, dat zij in 1517 te
Arum wonen. In 1515 namelijk blijkt er een verandering in de regering te komen.
De Saksische hertogen verkochten toen Friesland aan de Bourgondiërs. Sommige
Friezen namen dat niet. Zij waren ongehoorzaam en wilden de jonge Karel V niet
als hun heer erkennen. Eén van hun was ‘Leeuw Jaerts’ van Arum. De
Bourgondische stadshouder Floris van IJsselstein liet toen beslag leggen op het
bezit van Lieuwe16. Een naklank hiervan viel nog in 152717
te horen. Toen verkocht Lyuwe Tyardz land in of bij Bolsward aan de zoeven al
genoemde Nanne Reynz. Als reden voor deze verkoop geeft hij op dat hij
’jeslyck myn arste wyfs landen ende myn landen mey toe frye’ woe ‘van
gennij karpentyer dyer hem van her florys gonnen wyerren troch orlychs haluen’.
Met andere woorden: Lieuwe had geld nodig om het geconfisceerde bezit weer terug
te kopen. Misschien had de begunstigde (Karpentyer) stukken land alweer aan
derden verkocht. In de Rentmeesterrekeningen van
Wonseradeel18 wordt Lyuwe Tyardz tussen 1526 en 1530 vier keer
genoemd. Eerst koopt hij van Sithie Hannez (lees: Nannez) 1½ pondenmaat land te
Arum. Daarna koopt hij 7½ pondenmaat land van Lieuwe Wilgryxs. Vervolgens koopt
‘Liewe Tiaertz te Arum’ 1 pondenmaat land van Liewe Wilgryxs en op het
laatst nog ‘een pond land in Tetingh guet toe Arum’ van Laess glasmaker. Met ‘Tetingh guet’ zal
stellig de plaats Tietinga bedoeld worden. Deze plaats wordt ook in de
Beneficiumboeken genoemd. (Broer Tiettinga, Wilcke Tiettinga en Wpke Teetinge).
Het kan zijn, dat Lieuwe Tiaerdtsz in deze plaats woonde. Tussen 1530 en 1538 is
hij overleden. In 153819 wordt er een
proces behandeld tussen Folckert Simonss en Adriaen Michiels, beide voor hun
vrouwen (Aelcke en Rinck Lieuwes) als eiser aan de ene kant, en Mr. Lyueuwe te
Arum, Lieuwe Beyema en Frerick Claess als voogden over de weeskind van Lieuwe
Tiaertss en Griete Diricxdr aan de andere kant. Er wordt niet gezegd dat Lieuwe
en Griete man en vrouw waren. Vier jaar later, in 154220, staan
Adriaen en Rincke alweer in het pleit. |
|
|
|